Graag zou ik mijn eerdere berichten nog iets nader preciseren, omdat ik merk dat mijn benadering sterk systematisch is opgebouwd en mogelijk baat heeft bij een compacter overzicht.
Mijn uitgangspunt is eenvoudig maar fundamenteel:
God heeft de schepping – het universum – geschapen.
God kent vele namen, waaronder Gnosis: het weten, of eenvoudiger gezegd, dat wat is.
De schepping zelf bestaat niet uit “dingen” in absolute zin, maar uit eigenschappen, relaties van, tussen en met eigenschappen, en verzamelingen van eigenschappen die wij vormen noemen. Alles wat verschijnt, verschijnt als waarneembare eigenschappelijkheid.
Daarmee kom ik tot twee centrale stellingen:
- Het doel van de schepping is het waarnemen van eigenschappen.
- Het doel van het leven is het ontdekken en ervaren van de waarnemer van eigenschappen.
In deze visie is God de bedenker, programmeur, maker en enige Werkelijke Gebruiker van de schepping. Als metafoor gebruik ik soms een mainframe-architectuur.
De schepping is vergelijkbaar met een mainframe met terminals en clients.
Terminals zijn verzamelingen van eigenschappen waardoor waarneming plaatsvindt. Zij hebben interpretatiemogelijkheden — vergelijkbaar met individuele applicaties — maar geen autonome identiteit.
Clients daarentegen zijn autonome terminals: zij beschikken over een eigen energievoorziening, extra werkgeheugen en eigen opslag. Met andere woorden: zij kunnen niet alleen interpreteren, maar ook waarderen, reflecteren, geloven en zich identificeren.
Deze clients — de mens — zijn geschapen naar beeld en gelijkenis. Hun vrije wil maakt het mogelijk niet alleen waar te nemen, maar ook zich te vereenzelvigen met wat wordt waargenomen. Daar ontstaat wat ik beschouw als de kern van de gnostische problematiek: identificatie als plaatsvervanging van de oorspronkelijke waarnemer.
In deze optiek is God niet goed of slecht. Goed en kwaad behoren tot de sfeer van interpretatie binnen het systeem. God is transcendent als de ware waarnemer-gebruiker van het geheel, en immanent als het gemanifesteerde waarnemen zelf.
De “val” is dan geen kosmische strijd tussen twee godheden, maar een misverstand binnen de client: een verwisseling van perspectief waarbij de plaatsvervanger zich voor de oorspronkelijke waarnemer houdt.
Mijn intentie is niet om de historische gnostische teksten te herdefiniëren, maar om hun ontologische reikwijdte in hedendaagse termen te verhelderen. Misschien kan gnosis worden verstaan als het inzicht dat de waarnemer en het waargenomene niet gescheiden zijn, maar twee aspecten van één werkelijkheid die zowel transcendent als immanent is.
Dit en mijn drie voorgaande berichten komen voort uit mijn recent verschenen boek “Gnosis: het Universum als Interface“
Met vriendelijke groet, Gabriel

Plaats een reactie